Met meer dan 2.000 km2 rond de Zweeds-Noorse grens, ter hoogte van Dalarna en Jämtland in Zweden en Hedmark in Noorwegen, is Gränslandet een enorm natuurgebied, dat erop ligt te wachten om te voet ontdekt te worden. Met bergen die ver boven de boomgrens reiken, kun je genieten van kilometers ver uitzicht, niet gehinderd door bomen of struiken. Enkel bergtoppen, zover als je kunt kijken. Voor een artikel voor Nordic Magazine trekken we er een dagje op uit op de eindeloze fjäll. Rendieren, mossen, watervallen en bergtoppen en zelfs nog een beetje sneeuw kleuren de laatste dag van juli.

 

Groots

Een paar imposante informatieborden zijn zo ongeveer het enige teken van menselijke aanwezigheid in Gränslandet. We beginnen onze wandeling aan de Noorse kant en bestuderen aandachtig wat we onderweg kunnen verwachten. Uitgestrekte natuur in ieder geval, dat zie je meteen, ook zonder op het bord te kijken. Maar ook elanden en beren komen in de herfst de fjäll – het gebied boven de boomgrens – op, op zoek naar eten. Nu zitten ze nog in lager gelegen delen en smullen van wat de zomerse natuur te bieden heeft. Nu zijn de bergtoppen en – weides vooral het domein van roofvogels, hazen en natuurlijk rendieren. De Sami, de oorspronkelijke inwoners van noord-Zweden, mogen hun kuddes hier laten grazen. Weliswaar is het grootste deel daarvan nu in het noorden van Zweden en Noorwegen, maar er is ook een aanzienlijke groep achterblijvers die hier rondzwerven.

In het voetspoor van moeders

Familiedieren

We hebben nog geen 100 meter gelopen als we de eerste rendieren al over het pad voorbij zien schieten. Het zijn weliswaar tamme dieren, maar van mensen moeten ze meestal niet al te veel hebben. De jonge dieren, verse aanwas van dit voorjaar, zijn inmiddels uitgegroeid tot redelijke pubers, maar ze volgen hun moeder nog trouw. Besluit zij dat het er verderop veiliger of lekkerder uitziet, dan volgt het kind in gezwinde pas haar voetsporen. Moeder is nog volop bezig met het wisselen van de vacht, het kind heeft een gladde, gelijkmatige vacht, die straks dik genoeg is om de ontberingen van de winter te doorstaan. Die lijkt nu gelukkig nog ver weg en er kan volop gegraasd worden op de zompige bergweides. Of gewoon hard gerend worden als er een paar van die langbenige types aan komen.

Water als voedingsbron van mossen in de meest onwaarschijnlijke kleuren groen

Water

Het fjällgebied rond de Noors-Zweedse grens krijgt jaarlijks een aardige hoeveelheid neerslag te verwerken. Vooral in de winter, in de vorm van sneeuw. En als dat smelt ontstaan er forse waterstromen, aangevuld met een aantal beken die ontspringen in het gebergte en zorgen voor permanente watertoevoer. Het is dan ook een vochtig, soms veenachtig gebied. Tel daarbij op dat de maand juli dit jaar ook in Gränslandet niet super droog was en je weet wat je kunt verwachten: waterstroompjes. Dat leidt – naast soms zompige paden (waterdichte schoenen zijn hier echt een must) – tot rijkelijk gevulde bergbeken, die op sommige plaatsen als watervalletjes naar beneden komen. Op zo’n 1.000 meter hoogte ontdekken we deze verzameling van beken en stroompjes, waar langs allerlei mossen zijn gegroeid,van de meest onwaarschijnlijke kleur groen. Drakensnot is misschien een treffende omschrijving, of gifgroen. Kleurrijk is het in ieder geval.

Kale bergtoppen, onbelemmerd uitzicht

Het dak van de wereld

We klimmen tot zo’n 1.100 meter en genieten van het weidse uitzicht op de omliggende toppen. En ondanks dat het vandaag bepaald geen onbewolkte dag is, piept de zon er af en toe doorheen. De bergtoppen waar we op uit kijken baden in zacht geel licht. Doordat je hier geen bomen of struikgewas meer hebt (dat groeit hier niet meer even boven de 800 meter) kun je onbelemmerd ver weg kijken. Op heldere dagen wel kilometers ver weg. Geen bomen, maar ook geen huizen, wegen of andere sporen van menselijke activiteiten. Of het moet een tentje zijn dat is opgezet door een andere wandelaar die hier naartoe is gekomen om te genieten van de vrijheid en stilte. Je waant je even op het dak van de wereld, en vrijwel altijd heb je dat dan even voor jezelf.

Sneeuw!

Het is dan weliswaar 31 juli en hoog zomer in Gränslandet, maar zo rond de 1.100 meter vind je hier dus echt nog resten van de afgelopen winter. Dat is dan in de vorm van sneeuwvelden, die maar niet weg willen dooien. Overdag is het wel boven nul, maar waarschijnlijk is het ’s nachts gewoon onder nul en bevriest de smeltende massa weer. Dat zou in ieder geval verklaren waarom het hier zo rete-glad is als ik probeer te poseren voor mijn eerste echte ‘snowfie’, een selfie in de sneeuw. De bijpassende rode wangen en neus heb ik al, want het waait hier boven flink en daardoor is het best koud. Nog even en ik trek mijn thermoskan met Glühwein uit  de tas.

Steenmannetjes wijzen de weg

Verdwenen paden

Als we de bergtop hebben gerond, wacht ons een fikse plensbui. Met waterdichte schoenen en jas met capuchon doorsta je dat best, maar fijn is anders. Gelukkig klaart het even snel weer op en laat de zon zich weer zien. De toch al zompige paadjes zijn nu veranderd in kleine riviertjes annex modderpoeltjes, waar je je beter een weg omheen kunt zoeken dan er over/doorheen te lopen. Gelukkig staan er met enige regelmaat forse steenmannen (stapels stenen) die ferm boven het de bessenstruikjes uitsteken en ons de weg wijzen. Wandelaars helpen wandelaars, dus wij leggen ook zo af en toe een steen op zo’n stapel, zodat mensen na ons daar ook profijt van hebben.

Klaar!

Met ruim 13 km en 350 hoogtemeters in de benen zijn we blij als we na 6 uur weer terug zijn bij ons startpunt. Een gemiddelde van 2 km per uur is niet echt iets om over naar huis te schrijven. Maar de realiteit is dat het hier niet heel veel sneller gaat. Zeker niet als je wilt rondkijken en genieten van al het moois dat in Gränslandet op je pad kan komen. Slow travel, noemen we het dan maar. Dat schijnt een trend te zijn!

Eerder liepen we een wandeling in Grövelsjön, vlak in de buurt.

Boven de boomgrens van Noorwegen naar Zweden